goalie.psd_400x275.jpg
 

Nieuwe spelregels
Toelichting op de spelregels
De spelregels

 

 

 

 

 

 

De FINA (2005) wijzigingen op de Waterpolo spelregels

De FINA wijzigingen 2005 zijn gericht op:

  • Het bevorderen van een 'spectaculair' spelverloop
  • Het begrijpelijker maken van het spel

FINA besluiten van toepassing in de (Bonds) waterpolo competitie:

  • De max. speelveld lengte is voor de dames – 25 mtr. i.p.v 30 mtr.
  • De 4 en 7 mtr. is vervangen door de 5 mtr. inclusief de aanpassing van alle daar aan gerelateerde regels.
  • De 35 sec. is vervangen door 30 sec.
  • Bij verlenging wisselen de scheidsrechter voor de eerste verlenging voor de 2e verlenging wisselen ploegen van speelzijde.
    (Niet van toepasing voor de kring en district)
  • Het blokkeren van een schot op doel, of de intentie hebbende, door een spelers/ster middels meer dan 1 hand of arm van dezelfde speler (de bal hoeft niet door 2 armen/handen gelijktijdig te worden geraakt) is een zware fout. (binnen de 5 mtr. strafworp, daar buiten een U20)
  • De UZV is aangepast; na 4 min (ook als er tussentijds een doelpunt wordt gemaakt) mag er een vervanger in. Bij een UZV wordt bovendien een strafworp gegeven
  • De hoekworp ontstaat alleen als de bal via de keeper over of naast gaat of als de verdediger de bal opzettelijk over de achterlijn speelt.
    Nb. Een schot dat via een speler over of naast gaat is een doelworp.
  • De doelworp mag door elke speler (binnen de 2 mtr.) worden genomen
  • De coach van een ploeg mag tijdens het spel niet verder dan de 5 mtr. (vanaf zijn eigen doellijn)
  • Bij een doelpunt kan er direct een time-out worden aangevraagd (niet wachten tot spelhervatting)
    (Niet van toepasing voor de kring en district)
  • Hervatting na time-out op de middellijn of daarachter.
  • Bij wederzijdse uitsluiting; vrije worp voor ploeg in balbezit (was scheidsrechter bal)
  • Bij wederzijdse uitsluiting; bij eerste balwisseling mogen beide uitgesloten spelers terugkomen.
  • Uitsluiting (UMV) ook bij onacceptabel taalgebruik of het in diskrediet brengen van het waterpolospel – ook tijdens rust, time-out en doodspel
  • Bij onjuist terugkomen; wel balbezit – U20 + vrije bal tegenpartij, geen balbezit – U20 + strafworp.
  • Strafworp in laatste minuut; coach kan kiezen voor een vrije worp.

FINA besluiten voorlopig niet over te nemen in de competitie:

  • De pauze tussen de 2e en de 3e periode te verlengen tot 5 min. (TV commercials)
  • De speeltijd verlenging van 4x7 tot 4x8 min; nader overleg over het eventueel later door voeren.
  • De wijzigingen ten aanzien van kleuren van de lijnen, de kleuren van de caps en de nummering; de nu gehanteerde LEN regels te blijven.

Nb. Bij FINA evenementen moeten de nieuwe FINA regels worden gehanteerd.

Geadviseerd wordt om:

  • De aanpassing 1.b zoveel mogelijk te realiseren door het opnieuw instellen van de klok; als dat op de korte termijn niet gerealiseerd kan worden, dit praktisch in te vullen door op 5 sec.(aflopende tijd) handmatig een signaal af te geven. Vanzelfsprekend moet een en ander vooraf door de scheidsrechter in overleg met. de jury aan de teams kenbaar gemaakt worden.
  • Het terugkom signaal aan de vervangende speler die terugkomt na een UZV (na 4 min.) op de gebruikelijke wijze kenbaar te maken.
  • De wijzigingen die verwerkt zijn- of moeten worden in de constructie van de badrand (tegeltjes e.a.), voorlopig nog niet te realiseren.

Toelichting op de spelregels waterpolo

Tijdens een bijeenkomst van de LEN in Boedapest, 30 oktober jl., waarbij aanwezig namens Nederland, Hans Klopper, (secr Waterpolospelregelcommissie) zijn op de spelregelwijzigingen een aantal toelichtingen besproken. TOELICHTING op de spelregels waterpolo. De hieronder genoemde uitleg is bindend.

  • Wat indien een verdediger een schot met 2 handen probeert te blokken?
    Wanneer de defensieve speler in het 5 meter gebied ligt wordt dit bestraft met een strafworp, buiten de 5 meter met een U20.
    Opmerking: de verdediger hoeft de bal niet aan te raken, hij wordt voor bedoeling gestraft!
  • Heeft een veldspeler die een uitgesloten doelman vervangt dezelfde rechten en plichten van de doelverdediger?
    Nee. Een veldspeler die de uitgesloten doelman vervangt bezit niet diens rechten en plichten. Indien hij/zij bijvoorbeeld een bal stopt met 2 handen (of de bedoeling heeft de bal te stoppen) wordt dit binnen de 5 meter bestreft met een strafworp.
    (Advies: Bij een doelpunt laten doorspelen en anders een nieuwe stafworp toekennen)
  • Wat is het terugkomteken voor de vervanger van een met UZV bestrafte speler?
    Wanneer een speler met UZV is uitgesloten zal de secretaris middels 2 vlaggen aangeven wanneer de vervanger aan het spel mag deelnemen. Eén vlag overeenkomstig de kleur van de muts van de betreffende ploeg en een gele vlag.
  • Wat gebeurt er wanneer een defensieve speler een pass onderschept door hem hoog uit het water over de achterlijn te tikken.(=bewust)
    Dan is het een hoekworp.
    (opmerking: zoals afgesproken tijdens de TM ligt de verantwoordelijkheid in deze bij de scheidsrechter. Hij bepaalt wanneer dit over de achterlijn spelen bewust wordt gedaan en wanneer niet).
  • Wat gebeurt er wanneer er sprake is van grof optreden (UZV) tijdens de rustperioden, de time-out of na een doelpunt?
    Indien er sprake is van grof optreden in deze situaties en er een speler wordt bestraft met een UZV, wordt de wedstrijd op de normale wijze herstart en onmiddellijk daarna wordt de strafworp gegeven.
  • Wat gebeurt er wanneer er sprake is van grof optreden tijdens de rustperioden door beide ploegen?
    De betreffende spelers worden bestraft met een UZV. De wedstrijd wordt hervat op normale wijze. Wanneer een ploeg balbezit heeft veroverd, wordt het spel stil gelegd. De ploeg welke in balbezit is gekomen, neemt de eerste strafworp en daarna neemt de andere ploeg de strafworp. Daarna wordt het spel hervat met een vrije worp op de middenlijn door de ploeg welke het balbezit uit de ‘middenuit’ heeft veroverd.
  • Wat gebeurt er wanneer er sprake is van grof optreden door beide ploegen tijdens de time-out of na een doelpunt?
    De betreffende spelers worden bestraft met een UZV. De wedstrijd wordt hervat met het nemen van de strafworp door de ploeg welke in balbezit zou komen, onmiddellijk gevolgd door een strafworp aan de andere zijde. Daarna wordt het spel hervat met een vrije worp op de middenlijn door de ploeg welke in balbezit zou zijn gekomen.
  • Wat gebeurt er wanneer een verdedigende speler verkeerd terugkomt?
    Dit wordt bestraft met een U20 en een strafworp voor de tegenpartij. Op het wedstrijdformulier wordt in 1 vakje een U20/S genoteerd, overtreding telt dus als 1 persoonlijke fout.
  • Wat gebeurt er wanneer een aanvallende speler verkeerd terugkomt?.
    De betreffende speler wordt bestraft met een U20 en de wedstrijd wordt vervolgd met een vrije worp voor de tegenpartij.
  • Wat gebeurt er in de laatste minuut van de wedstrijd of de laatste minuut van een eventuele verlenging wanneer aan een ploeg een strafworp wordt toegekend?
    De coach van de ploeg aan wie de strafworp wordt toegekend heeft de keuze: strafworp of een vrije worp. Wanneer hij kiest voor de strafworp geeft hij dit aan middels 5 opgeheven vingers. Wanneer hij kiest voor een vrije worp kruist hij de handen over zijn borst. In beide gevallen wordt de persoonlijke fout genoteerd op het wedstrijdformulier.
  • Wat gebeurt er wanneer een schot geblokt wordt en de bal over de zijlijn gaat van het speelveld?
    Deze situatie wordt hetzelfde beoordeeld als wanneer de bal over de achterlijn zou zijn gegaan: vrije worp voor de verdedigende ploeg.
  • Wat gebeurt er wanneer een speler van een team zich aan wangedrag schuldig maakt of enig andere overtreding maakt tijdens de rust perioden, tijdens de time-out of na een doelpunt?
    De betreffende speler wordt voor de rest van de wedstrijd uitgesloten met onmiddellijke vervanging. In alle situaties gaat de wedstrijd op de gebruikelijke wijze verder!


SPELREGELS WATERPOLO

Uitgave 2005

Deze concept uitgave spelregels waterpolo met uitleg en instructies zijn een zo letterlijk mogelijke vertaling van de spelregels, uitgegeven door de Federation International de Natation Amateur (FINA). Deze uitgave is een concept, de definitieve versie (goedgekeurd door verschillende doelgroepen alsmede het Bondsbestuur) zal zo spoedig mogelijk volgen. Bij onduidelijkheden is het verstandig ook de officiële Engelse vertaling te raadplegen (zie hiervoor de FINA site).
De spelregelnummering komt overeen met de indeling zoals deze is opgenomen in het FINA Handbook 2005-2009. (Afwijkende nummering is opgenomen als = FINA Facilities Rules).
(Nederlandse afwijkingen en aanvullingen op de FINA rules zijn zoveel mogelijk beperkt en worden tussen haakjes vermeld. Deze hebben waar van toepassing voorrang op het gestelde in de spelregel).
De opgenomen opmerkingen, bijlagen etc. bij de spelregels moeten beschouwd worden als een aanvulling, welke deel uitmaakt van de spelregels en zijn toegevoegd op plaatsen waar een verkeerde interpretatie zou kunnen ontstaan. De bedoeling hiervan is een uniforme interpretatie te bereiken en de scheidsrechters te ondersteunen bij het op een identieke manier toepassen van de regels. In de spelregels wordt gesproken over spelers, daar worden mannelijke en vrouwelijke personen mee bedoeld.
September 2005

INHOUD WP
Speelveld en wedstrijdmateriaal 1
Doelen 2
De bal 3
Mutsen 4
Ploegen en vervangers 5
Officials 6
Scheidsrechters 7
Grensrechters 8
Tijdopnemers 9
Secretarissen 10
Spelduur van de wedstrijd 11
De time out 12
Het begin van het spel 13
Het maken van een doelpunt 14
Herbegin na een doelpunt 15
Doelworpen 16
Hoekworpen 17
Neutrale inworpen 18
Vrije worpen 19
Gewone fouten 20
Uitsluitingsfouten 21
Strafworpfouten 22
Strafworpen 23
Persoonlijke fouten 24
Ongeval, letsel of ziekte 25
Bijlage A (Instructies bij leiding door twee scheidsrechters) B1
Bijlage B (Tekens te gebruiken door de officials) B2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

WP 1 Speelveld en wedstrijdmateriaal

1.1 Elke organiserende instantie (ontvangende vereniging) is verantwoordelijk voor de juiste afmetingen en markeringen van het speelveld, en draagt zorg voor alle voorgeschreven toebehoren en wedstrijdmateriaal.

1.2 De uitrusting en markeringen van het speelveld voor een wedstrijd geleid door twee scheidsrechters moet overeenkomen met onderstaande schematische afbeelding.

Waterpoloveld
Klik voor groter

1.3 Bij een wedstrijd geleid door één scheidsrechter, fungeert de scheidsrechter aan de zijde van de jurytafel en nemen de grensrechters aan de overzijde plaats.

1.4 De afstand tussen de doellijnen bedraagt minimaal 20 meter en maximaal 30 meter. Voor dames wedstrijden is de maximale speelveldlengte 25 meter. De breedte van het speelveld bedraagt minimaal 10 meter en maximaal 20 meter. De speelveldbegrenzing bevindt zich aan iedere zijde op 0,30 meter achter de doellijn.

(KNZB: De afmetingen van het speelveld voor dames gelden eveneens voor aspiranten II en pupillenwedstrijden.)
(KNZB: Toegestane afwijkingen van de speelveldafmetingen zijn opgenomen in Reglementartikel E 5 resp. het betreffende competitie reglement.)

1.5 Voor wedstrijden onder auspiciën van de FINA dienen de speelveld afmetingen, de waterdiepte, de temperatuur en de lichtintensiteit te voldoen aan het gestelde in FR 7.2 , FR 7.3, FR 7.4 en FR 8.3 van het Fina regelement.

1.6 Aan elk van de beide speelveldzijden moeten duidelijke merktekens zijn aangebracht om het volgende aan te duiden:

  • witte merktekens- de doellijn en de middenlijn
  • rode merktekens- de 2 meterlijnen
  • gele merktekens- de 5 meterlijnen

De beide speelveldzijden moeten van de doellijn tot de 2-meterlijn rood zijn, van de 2-meterlijn tot de 5-meterlijn geel en van de 5-meterlijn tot de middellijn groen.

1.7 Op elke speelveldbegrenzing achter de doellijn aan de zijde tegenover de jurytafel moet, om het terugkomvak aan te duiden, een rood merkteken zijn aangebracht op 2 meter gemeten vanuit de hoek van het speelveld.

(KNZB: Bij een speelveld met een geringere breedte dan 15 meter worden deze merktekens naar verhouding dichter bij de zijlijnen geplaatst. Het aldus ontstane vak tussen doellijn, zijlijn en speelveldbegrenzing vanaf het merkteken, wordt het "terugkomvak" genoemd. Bij een speelveld waarbij de speelveldbegrenzing wordt gevormd door een lijn met drijvers, bevindt zich het "terugkomvak" direct achter deze lijn vanaf het merkteken tot aan de zijlijn.)

1.8 Er moet voldoende ruimte zijn om het de scheidsrechters mogelijk te maken zich vrij van het ene naar het andere einde van het speelveld te verplaatsen. Tevens moet ruimte voorzien zijn in het verlengde van de doellijnen ten behoeve van de grensrechters.

waterpolo

1.9 De secretaris moet de beschikking hebben over een aparte gele, rode, witte en blauwe vlag met de afmetingen van 0,35 meter X 0,20 meter.

WP 2 Doelen

doel

 

2.1 De twee doelpalen en de dwarslat van een waterpolodoel, moeten stevig en haaks op elkaar gemonteerd, aan de voorkant 0,075 meter breed en wit geschilderd zijn. De doelen zijn geplaatst op de doellijnen op beide speelhelften op gelijke afstand van de zijden en op niet minder dan 0,30 meter voor de speelveldbegrenzingen.

2.2 De afstand tussen de binnenkanten van de doelpalen moet 3 meter bedragen. Als de diepte van het water 1,50 meter of meer is, moet de onderzijde van de dwarslat zich op een hoogte van 0,90 meter boven het wateroppervlak bevinden. Als het water minder dan 1,50 meter diep is, moet de onderzijde van de dwarslat zich op 2,40 meter boven de bodem van het bad bevinden.

2.3 Aan de doelpalen en dwarslat moeten loshangende netten, die de gehele doelruimte omsluiten, op een solide manier zijn bevestigd. Ze moeten zodanig aan het doel bevestigd zijn, dat zij binnen het doel achter de doellijn overal een vrije ruimte laten van tenminste 0,30 meter.

WP 3 De bal

bal

 

3.1 De bal moet rond zijn en voorzien van een luchtkamer met zelfsluitend ventiel. Ze moet waterdicht zijn, zonder opgelegde naden en vrij van vet of soortgelijke substantie.

3.2 Het gewicht van de bal is minimaal 400 gram en maximaal 450 gram.

3.3 Bij herenwaterpolo bedraagt de omtrek van de bal minimaal 0.68 meter en maximaal 0,71 meter. De druk in de bal bedraagt 90 97 kPa (kilo Pascal)
(13 14 PSI pounds per square inch atmosferic).

3.4 Bij dameswaterpolo bedraagt de omtrek van de bal minimaal 0,65 meter en maximaal 0,67 meter. De druk in de bal bedraagt 83 90 kPa (kilo Pascal)
(12 13 PSI pounds per square inch atmosferic).

(KNZB: Bij iedere wedstrijd dienen minimaal 3 deugdelijke ballen beschikbaar te zijn. Bij aspiranten II en pupillenwedstrijden wordt met ballen overeenkomstig WP 3.4 gespeeld.)

waterpolo

WP 4 Mutsen

 

4.1 De mutsen van de ploegen moeten afwijkend van kleur zijn, zij moeten anders dan egaal rood zijn en moeten verschillen van de kleur van de bal, dit ter goedkeuring door de scheidsrechters.
De scheidsrechters kunnen van de ploeg die niet met de witte muts speelt verlangen dat zij blauwe mutsen draagt. De doelverdedigers dragen een rode muts. De mutsen worden met bandjes onder de kin vastgemaakt en als een speler zijn muts gedurende het spel verliest, zet hij deze weer op bij de eerstvolgende geschikte onderbreking van het spel, wanneer het team van betreffende speler balbezit heeft. De mutsen moeten gedurende de gehele duur van de wedstrijd worden gedragen.

4.2 Mutsen moeten voorzien zijn van veerkrachtige oorbeschermers en moeten dezelfde kleur hebben als de mutsen van de ploeg, met uitzondering van de oorbeschermers van de doelman welke rood mogen zijn.

4.3 De mutsen moeten op beide zijkanten genummerd zijn met cijfers die 0.10 meter hoog zijn. De doelverdediger draagt mutsnummer 1 en de overige mutsen zijn genummerd van 2 tot en met 13. Een vervangende doelverdediger moet een rode muts met nummer 13 dragen. Het is een speler niet toegestaan om gedurende de wedstrijd van mutsnummer te wisselen behalve met toestemming van een scheidsrechter en registratie door de secretaris.

(KNZB: De doelverdediger draagt mutsnummer 1 en de overige mutsen zijn genummerd van 2 t/m 14. Een vervangende doelverdediger moet een rode muts dragen Het is niet toegestaan een zelfde nummer als een medespeler te dragen.)

4.4. Bij internationale wedstrijden moeten de mutsen aan de voorzijde het internationale drie letterig landenmonogram en mogen de mutsen de nationale vlag tonen. Het landenmonogram mag niet meer dan 4 cm hoog zijn.

WP 5 Ploegen en vervangers

water polo serie2  3Een pupillenteam

5.1 Elke ploeg bestaat uit zeven spelers van wie er één de doelverdediger is die de daarbij behorende muts moet dragen en uit zes reserves, die als vervanger gebruikt mogen worden. Van een ploeg die minder dan zeven spelers heeft zal niet worden geëist dat de ploeg met een doelverdediger speelt.

5.2 Alle spelers die op enig moment niet aan het spel deelnemen moeten samen met de (assistent) coach en begeleiders op de spelersbank van de ploeg zitten. Behalve gedurende de rusttijden tussen speelperioden of gedurende time-outs mogen de spelers en teamofficials de spelersbank niet verlaten.Het is de hoofdcoach van de aanvallende ploeg toegestaan zich te begeven tot de vijf meterlijn.
De ploegen wisselen van speelzijden en banken na twee speelperioden en voor de tweede speelperiode van de eventuele extra tijd. De banken voor de ploegen zijn beide gesitueerd aan de zijde tegenover die van de jurytafel.
(KNZB: Op een bank mogen maximaal 3 coaches/begeleiders en 6 reservespelers, met hun muts op, plaats nemen.)

5.3 De aanvoerders zijn spelers van hun respectievelijke ploegen en zij zijn elk verantwoordelijk voor het goede gedrag en de discipline van hun ploeg.
(KNZB: Wanneer de aanvoerder voor de verdere duur van de wedstrijd wordt uitgesloten dient een vervanger zich als zodanig kenbaar te maken aan de scheidsrechters.)

21dutch550

5.4 De spelers moeten ondoorzichtige zwemkleding of zwemkleding met daaronder een afzonderlijk broekje/slip dragen en zij moeten, voordat zij aan het spel deelnemen, zich van alle voorwerpen ontdoen welke letsel zouden kunnen veroorzaken.

5.5 Spelers mogen geen vet, olie of ander vergelijkbaar product op het lichaam hebben. Indien de scheidsrechter vóór de wedstrijd constateert dat een dergelijke substantie is gebruikt dan geeft hij opdracht dit onmiddellijk te verwijderen. Het begin van de wedstrijd wordt niet uitgesteld om de substantie te kunnen verwijderen. Als deze overtreding ontdekt wordt nadat het spel is begonnen, dan wordt de overtredende speler voor de verdere duur van de wedstrijd uitgesloten en wordt het een vervanger direct toegestaan in het speelveld te komen via het terugkomvak het dichtst bij zijn eigen doellijn.

5.6 Op ieder willekeurig moment mag een speler worden vervangen door het speelveld te verlaten via het terugkomvak het dichtst bij zijn eigen doellijn. De vervanger mag vanuit het terugkomvak in het speelveld komen zodra de te vervangen speler in het terugkomvak zichtbaar boven water is gekomen. In geval er krachtens dit artikel een doelverdediger wordt vervangen moet de vervanger een doelverdedigersmuts dragen. Krachtens dit artikel mag er geen vervanging plaatsvinden tussen het tijdstip van het door een scheidsrechter toekennen van een strafworp en het nemen van die worp, tenzij voor het nemen van de strafworp een time-out wordt aangevraagd.

waterpolo

5.7 Vanaf iedere willekeurige plaats mag een vervanger in het speelveld komen:

 

7.1 De scheidsrechters hebben de algehele leiding van het spel. Hun gezag over de spelers blijft van kracht gedurende de gehele tijd dat zij en de spelers binnen het zwembad verblijven. Alle beslissingen van de scheidsrechters met betrekking tot feitelijke zaken zijn bindend en aan hun uitleg van de spelregels moet gedurende het spel gevolg worden gegeven. De scheidsrechters gaan bij elke situatie gedurende het spel niet uit van veronderstellingen maar van de feiten en interpreteren naar beste vermogen wat zij waarnemen.

7.2 De scheidsrechters fluiten voor het aanduiden van begin of herbegin van de wedstrijd en voor het toekennen van doelpunten, doelworpen en hoekworpen (al dan niet door de grensrechter aangegeven), neutrale inworpen en inbreuken op de spelregels. Een scheidsrechter mag een genomen beslissing wijzigen, mits hij zulks doet voordat de bal weer in het spel is gebracht.

7.3 De scheidsrechters zullen niet voor een fout fluiten, indien naar hun mening deze spelonderbreking een voordeel zal opleveren voor de ploeg die de overtreding begaat. De scheidsrechters zullen niet voor een gewone fout fluiten als er nog een mogelijkheid is om de bal te spelen.

[Opmerking : De scheidsrechters zullen dit principe in z'n volle omvang toepassen. Ze moeten bijvoorbeeld niet voor een fout fluiten ten gunste van de speler die in balbezit is en op weg is naar het doel van de tegenpartij, omdat dat beschouwd wordt als voordeel geven aan de ploeg die de overtreding begaat.]

(KNZB: De scheidsrechter die een foutief teken geeft of scheidsrechters die ieder verschillende tekens geven moeten zich de bal laten aangeven. Nadat zij, eventueel na onderling overleg, het goede teken en de plaats van overtreding hebben aangegeven moeten zij de ploegen voldoende tijd geven om hun posities in te nemen alvorens de bal in het speelveld te werpen en een teken te geven dat de worp, ter voortzetting van het spel, genomen kan worden.)

(KNZB: De scheidsrechters moeten indien zij een juryfout vaststellen, resp. indien zij van mening zijn dat de jurysignalen niet duidelijk waren, de speeltijd terug zetten naar het moment in de wedstrijd waarop zich deze situatie voordeed. Alle tussentijdse voorvallen die op het wedstrijdformulier geregistreerd werden zullen daarbij vervallen met uitzondering van die fouten gemaakt tegen de regels WP 21.10 en WP 21.11. De vervanging overeenkomstig WP 21.10 en WP 21.11 wordt daarbij geacht te hebben plaatsgevonden op het tijdstip van herbegin na zo'n situatie.)

7.4 De scheidsrechters hebben de bevoegdheid elke speler uit te sluiten overeenkomstig de betreffende spelregel en de wedstrijd te staken als een speler, daartoe gelast, zou weigeren het water te verlaten.

7.5 De scheidsrechters hebben de bevoegdheid om elke speler, ploegfunctionaris of toeschouwer te gelasten de zwemzaal te verlaten wiens gedrag hen verhindert hun functie op een behoorlijke en onpartijdige wijze uit te voeren.

7.6 De scheidsrechters hebben de bevoegdheid de wedstrijd op elk moment te staken indien, naar hun oordeel, het gedrag van de spelers of toeschouwers of andere omstandigheden een regelmatig verloop verhinderen. Indien de wedstrijd gestaakt moet worden, brengen de scheidsrechters aan de bevoegde instanties verslag uit.

WP 8 Grensrechters

8.1 De grensrechters zijn gesitueerd aan de zelfde zijde als de jurytafel, beide op de doellijn aan het einde van het speelveld.

8.2 De taken van de grensrechters zijn:

  • het geven van een teken, d.m.v. het heffen van één arm in verticale positie, als de spelers zich op de juiste wijze hebben opgesteld op hun respectievelijke doellijnen bij het begin van een speelperiode;
  • het geven van een teken, d.m.v. het heffen van twee armen in verticale positie, bij een onjuist begin of herbegin;
  • het geven van een teken, d.m.v. het horizontaal wijzen van de arm in aanvallende richting, bij een doelworp;
  • het geven van een teken, d.m.v. het horizontaal wijzen van de arm in aanvallende richting, bij een hoekworp;
  • het geven van een teken, d.m.v. het heffen en kruisen van beide armen, bij een doelpunt;
  • het geven van een teken, d.m.v. het heffen van twee armen in verticale positie, bij het onjuist terugkeren van een uitgesloten speler of onjuist in het speelveld komen van een vervanger.

8.3 Elke grensrechter is voorzien van een aantal ballen en als de oorspronkelijke speelbal uit het speelveld geraakt, gooit hij onmiddellijk een nieuwe bal naar de doelverdediger (voor een doelworp), naar de dichtstbijzijnde speler van de aanvallende ploeg (voor een hoekworp), of als anderszins aangegeven door de scheidsrechter.

14.4 Een doelpunt is gemaakt als, na het verstrijken van de 30 seconden balbezit of op het einde van een speelperiode, de bal zich in de vlucht bevindt en in het doel gaat.

[Opmerking: In de omstandigheden van deze spelregel wordt een doelpunt toegekend, als de bal in het doel belandt nadat deze een doelpaal, de doellat, de doelverdediger of een andere verdedigende speler geraakt heeft en/of opspringend (taterend) van het water. Als het eindsignaal van de speelperiode heeft geklonken en de bal wordt op weg naar het doel nog bewust gespeeld of aangeraakt door een andere speler van de aanvallende ploeg, wordt geen doelpunt toegekend.

Met inachtneming van de omstandigheden als omschreven in deze spelregel kent de scheidsrechter een strafworp toe, als de bal in zijn vlucht is naar het doel en de doelverdediger of een andere speler van de verdedigende ploeg het doel omlaag trekt, of als met uitzondering van de doelverdediger een verdedigende speler binnen zijn eigen 5 meter gebied de bal met een gebalde vuist of beide handen of armen stopt om zodoende een doelpunt te voorkomen, als de bal naar zijn mening de doellijn bereikt zou hebben als de overtreding niet gemaakt zou zijn.

In de omstandigheden omschreven in deze spelregel mag de scheidsrechter, als de bal in de vlucht is en op het water landt en vervolgens geheel over de doellijn drijft, alleen dán een doelpunt toekennen, als de bal onmiddellijk als gevolg van de schietbeweging over de doellijn is gedreven.]

WP 15 Herbegin na een doelpunt

15.1 Nadat een doelpunt is gemaakt stellen de spelers zich ergens op hun respectievelijke speelhelften op. Geen enkel lichaamsdeel van de spelers dat zich daarbij boven het wateroppervlak bevindt mag de middenlijn overschrijden. Een scheidsrechter geeft door een fluitsignaal het herbegin aan. Het werkelijke spel neemt een aanvang als de bal de hand verlaat van een speler van de ploeg die het doelpunt niet heeft gemaakt. Een herbegin dat niet overeenkomstig deze spelregel plaatsvindt wordt overgenomen.

WP 16 Doelworpen

16.1 Een doelworp wordt toegekend:

  • als de bal de doellijn helemaal overschrijdt, met uitzondering van het gedeelte tussen de doelpalen en onder de dwarslat, en het laatst is aangeraakt door enige speler met uitzondering van de verdedigende doelman.
  • als de bal de doellijn tussen de doelpalen en onder de dwarslat volledig overschrijdt, of de doelpalen, de dwarslat of de verdedigende doelverdediger rechtstreeks raakt uit:
    • een vrije worp, gegeven binnen de 5-meterlijn;
    • een vrije worp, gegeven buiten de 5 meter en niet volgens de spelregels wordt genomen.
    • een doelworp, niet onmiddellijk genomen;
    • een hoekworp.

16.2 De doelworp wordt genomen door een speler van de betreffende ploeg, vanaf een willekeurig punt binnen het 2 meter gebied. Een doelworp die niet volgens deze spelregel plaatsvindt, wordt overgenomen.

[Opmerking: De doelworp moet genomen worden door de speler die zich het dichtst bij de bal bevindt. Er mag geen onnodig oponthoud zijn bij het nemen van een vrije worp, doelworp of hoekworp. De worp moet zodanig worden genomen dat de andere spelers in staat zijn waar te nemen dat de bal de hand van de nemer verlaat. Spelers begaan vaak de fout van overdreven tijdgebruik bij het nemen van de worp omdat ze de bepaling als gesteld in WP 19.4 over het hoofd zien, die toelaat dat de nemer met de bal opzwemt (dribbelt) alvorens deze naar een andere speler te plaatsen.

De worp kan dus onmiddellijk genomen worden, zelfs al kan de nemer op dat moment geen speler vinden naar wie hij de bal zou kunnen plaatsen. In zo'n situatie, is het hem toegestaan de worp te nemen door de bal van zijn geheven hand op het water te laten vallen (fig. 1) of door deze omhoog te werpen (fig. 2) en kan hij daarna opzwemmen of dribbelen met de bal. In elk geval moet de worp zo worden genomen dat de andere spelers in staat zijn dat waar te nemen.]

fig1FIG.1 fig2FIG.2

 

 

 

 

WP 17 Hoekworpen

17.1 Een hoekworp wordt toegekend als de bal de doellijn helemaal heeft gepasseerd met uitzondering van het gedeelte tussen de doelpalen en de dwarslat en het laatst is aangeraakt door een doelverdediger van de verdedigende ploeg, of wanneer een verdedigende speler opzettelijk de bal over de achterlijn plaatst.

17.2 De hoekworp wordt genomen door een speler van de aanvallende ploeg vanaf het 2-meter teken aan de kant waar de bal over de doellijn is gegaan. De worp hoeft niet door de dichtstbijzijnde speler te worden genomen maar wel zonder onnodig oponthoud.

[Opmerking: Voor de manier van nemen van de worp, zie de opmerking bij WP 16.2]

17.3 Bij het nemen van een hoekworp mag geen speler van de aanvallende ploeg zich binnen het 2 metergebied bevinden.

17.4 Een hoekworp genomen vanaf een verkeerde plaats of voordat de spelers van de aanvallende ploeg het 2-metergebied hebben verlaten wordt overgenomen.

WP 18 Neutrale inworpen

18.1 Een neutrale inworp wordt toegekend:

  • als bij het begin van een speelperiode een scheidsrechter van mening is dat de bal zodanig terecht gekomen is, dat dit duidelijk in het voordeel van één ploeg is;
  • als één of meer spelers van beide ploegen tegelijkertijd een fout begaan, waarbij het voor de scheidsrechters onmogelijk is te onderscheiden wie de eerste overtreding maakte;
  • als beide scheidsrechters op hetzelfde moment een fluitsignaal geven voor gewone fouten van verschillende ploegen;
  • als de bal een hindernis boven het water raakt of daarop blijft liggen.

18.2 Bij een neutrale inworp, werpt een scheidsrechter de bal in het speelveld nagenoeg ter hoogte van de plaats waar het voorval zich voordeed en op een zodanige wijze dat de spelers van beide ploegen een gelijke kans hebben de bal te bemachtigen. Een neutrale inworp toegekend binnen het twee metergebied wordt genomen op de twee meterlijn.

18.3 Als de scheidsrechter bij een neutrale inworp van mening is dat de bal zodanig terecht gekomen is dat dit duidelijk in het voordeel is van een der ploegen, laat hij zich de bal aangeven en neemt hij de neutrale inworp opnieuw.

WP 19 Vrije worpen

19.1 Een vrije worp wordt genomen op de plaats waar de overtreding is begaan, behalve:

  • als de bal verder verwijderd is van het doel van de verdedigende ploeg, dan wordt de vrije worp genomen vanaf de plaats waar de bal zich bevindt;
  • als de overtreding gemaakt wordt door een verdedigende speler binnen zijn 2-metergebied wordt de vrije worp genomen op de twee-meterlijn tegenover de plaats waar de overtreding werd begaan, of als de bal zich buiten het 2-metergebied bevindt, dan vanaf de plaats waar de bal zich bevindt;
  • waar op een andere manier in de spelregels is voorzien.

Een vrije worp genomen vanaf een verkeerde plaats wordt overgenomen.

19.2 De tijd toegestaan aan een speler voor het nemen van een vrije worp is overgelaten aan het oordeel van de scheidsrechters; deze is redelijk en zonder onnodig oponthoud maar betekent niet onmiddellijk. De speler die duidelijk in de meest gerede positie ligt om een vrije worp te nemen en dit niet doet begaat een overtreding.

19.3 De verantwoordelijkheid voor het werpen van de bal naar de speler die de vrije worp gaat nemen berust bij de ploeg aan wie de vrije worp is toegekend.

19.4 Een vrije worp wordt genomen op een manier, die de andere spelers in staat stelt waar te nemen wanneer de bal de hand verlaat van de speler die de vrije worp neemt. Het is de nemer van de vrije worp dan toegestaan de bal mee te voeren of op te zwemmen (dribbelen) voordat hij de bal plaatst naar een andere speler. De bal is onmiddellijk in het spel zodra hij de hand verlaat van de speler die de vrije worp neemt.

[Opmerking: Voor de wijze van het nemen van de vrije worp, zie opmerking bij WP 16.2.]

WP 20 Gewone fouten

20.1 Het is een gewone fout om een van de navolgende overtredingen te begaan (WP 20.2 t/m WP 20.18) en dit wordt bestraft met een vrije worp voor de tegenpartij.

[Opmerking: De scheidsrechters fluiten overeenkomstig de spelregels voor gewone fouten om de aanvallende ploeg zo een voordeelsituatie te laten verwerven. Echter, de scheidsrechters moeten daarbij letten op de bijzondere omstandigheden als genoemd in WP 7.3 (voordeel).]

20.2 Het te vroeg uitzwemmen bij het begin of herbegin van een speelperiode, voordat de scheidsrechter het beginsignaal heeft gegeven. De vrije worp wordt genomen vanaf de plaats waar de bal zich bevindt of, als de bal niet in het veld gebracht is, vanaf de middenlijn.

20.3 Het helpen van een speler bij het begin, een herbegin of op elk ander moment gedurende het spel.

20.4 Het zich vasthouden aan of zich afzetten van de doelpalen of hun bevestigingen. Het, behalve bij het begin van een speelperiode, steunen op, zich vasthouden aan of zich afzetten van de zijkanten of uiteinden van het zwembad tijdens werkelijk spel.

20.5 Het actief deelnemen aan het spel staande op de bodem van het bad, lopen als het spel aan de gang is of springen van de bodem van het bad om de bal te spelen of een tegenstander aan te vallen. Deze spelregel is niet van toepassing op de doelverdediger binnen zijn 5 metergebied.

20.6 Het volledig onder water duwen of houden van de bal wanneer men aangevallen wordt.

[Opmerking: Het is een gewone fout de bal onder water te duwen of te houden als men aangevallen wordt, zelfs als de hand van de speler die de bal vasthoudt met de bal onder water wordt geduwd bij een aanval van de tegenstander (fig.3). Het maakt daarbij geen verschil of de bal onder water verdwijnt tegen zijn wil. Wat van belang is, is dat de fout wordt toegekend tegen die speler die de bal houdt op het moment dat de bal onder water geduwd werd. Het is belangrijk eraan te denken dat de overtreding alleen dan optreedt als de speler de bal onder water duwt als hij wordt aangevallen. Dus, indien de doelverdediger hoog uit het water komt om een schot te stoppen en dan, al terugzakkend, de bal voor een ogenblik onder water duwt, begaat hij geen overtreding; maar indien hij, aangevallen door een tegenstander, de bal onder water blijft houden dan pleegt hij wel inbreuk op deze spelregel en als zijn handelingen een vermoedelijk doelpunt voorkomen, moet een strafworp worden toegekend overeenkomstig WP 22.2.]

20.7 Het stompen van de bal met gebalde vuist. Deze spelregel is niet van toepassing op de doelverdediger binnen zijn eigen 5 metergebied.

waterpoloFIG.3

20.8 Het met twee handen tegelijkertijd spelen of aanraken van de bal. Deze spelregel is niet van toepassing op de doelverdediger binnen zijn eigen 5 metergebied

20.9 Het hinderen of op een andere manier de bewegingsvrijheid van een tegenstander die de bal niet houdt belemmeren, daarbij inbegrepen het zwemmen op de schouders, rug of benen van een tegenstander. "Houden" betekent het opnemen, vasthouden of aanraken van de bal, maar het opzwemmen (dribbelen) met de bal wordt niet als houden beschouwd.

[Opmerking: De eerste afweging die de scheidsrechter moet maken is of de tegenstander de bal houdt. Als dat het geval is, kan de speler die aanvalt niet bestraft worden voor "hinderen".
Het is duidelijk dat de speler de bal "houdt" als hij deze boven water uittilt. (fig. 4)
De speler houdt ook de bal als hij opzwemt met de bal in zijn hand of de op het wateroppervlak drijvende bal aanraakt (fig. 5).
Met de bal opzwemmen (dribbelen), als getoond in fig. 6 wordt niet als "de bal houden" beschouwd.

waterpoloFIG.4 waterpoloFIG.5 waterpoloFIG.6

Een gebruikelijke manier van hinderen is het kruiselings over de benen van een tegenstander zwemmen (fig.7), om zodoende het bewegingstempo te verminderen en een normale beenactie te bemoeilijken.
Een andere vorm is om op de schouders van de tegenstander te zwemmen. Er moet op gelet worden dat de fout "hinderen" ook kan worden begaan door een speler die in balbezit is. Fig. 8 toont bijvoorbeeld een speler, die een hand op de bal houdt terwijl hij tracht zijn tegenstander van zich af te duwen om daardoor meer ruimte voor zichzelf te scheppen.
Fig. 9 toont een speler die in balbezit is terwijl hij zijn tegenstander hindert door hem weg te duwen met zijn hoofd.

Oplettendheid wordt gevraagd bij situaties als afgebeeld in fig. 8 en fig. 9 omdat elke heftige beweging door een speler die in balbezit is kan uitmonden in slaan of zelfs grof optreden. De afgebeelde figuren zijn bedoeld ter illustratie van het hinderen zonder enige heftige beweging.

Een speler kan zelfs de overtreding "hinderen" begaan als hij de bal niet houdt of aanraakt. Fig. 10 toont een speler die met zijn lichaam en zijn armen wijd gespreid bewust zijn tegenstander blokkeert, om zodoende het bereiken van de bal onmogelijk te maken. Deze overtreding wordt vaak begaan bij de speelveldbegrenzingen.]

waterpoloFIG.9 waterpoloFIG.10
waterpolo
FIG.11
waterpolo
FIG.12

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

20.10 Het wegduwen van of zich afzetten van een tegenstander die de bal niet vasthoudt.

[Opmerking: Wegduwen kan op diverse manieren gebeuren, inbegrepen die met de hand (fig. 11) of met de voet (fig. 12). In de gevallen als afgebeeld bestaat de straf uit een vrije worp voor een gewone fout. Niettemin moeten scheidsrechters oplettend zijn om goed verschil te maken tussen het wegduwen met de voet en het trappen waarvoor dan een uitsluitingsfout geldt of zelfs grof optreden. Als de voet al contact maakt met de tegenstander als de actie begint, zal dat meestal wegduwen zijn, maar als de actie begint voordat er een dergelijk contact is dan moet dit in het algemeen worden beoordeeld als trappen.]

20.11 Het door een speler van de ploeg die in balbezit is, begaan van een overtreding als genoemd in WP 20.9 (een tegenstander hinderen/belemmeren) of WP 20.10 (wegduwen of zich afzetten van een tegenstander) voordat een vrije worp, doelworp of hoekworp is genomen.

20.12 Het zich ophouden in het twee metergebied van de tegenpartij, tenzij achter de ballijn. Het is geen overtreding indien de speler de bal in het twee metergebied brengt en dan plaatst naar een andere speler die zich achter de ballijn bevindt en deze onmiddellijk op doel schiet, voordat de eerste speler in staat is het twee metergebied te verlaten.

[Opmerking: Als de speler die wordt aangespeeld niet op doel schiet, moet de speler die de bal plaatste onmiddellijk het twee metergebied verlaten om te voorkomen dat hij overeenkomstig deze regel wordt bestraft.]

20.13 Het nemen van een strafworp anders dan op de voorgeschreven manier.

[Opmerking: Voor de manier waarop een strafworp genomen moet worden, zie WP 23.4]

20.14 Het onnodig tijd verspillen bij het nemen van een vrije worp, doelworp of hoekworp.

[Opmerking: Zie de opmerking bij WP 16.2]

20.15 Het zich over de middenlijn begeven of de bal daar aanraken door de doelverdediger.

20.16 Het over de zijlijn gooien van de bal, waaronder tevens begrepen het gooien van de bal die terugstuit van de zijkanten van het bad boven de waterspiegel.

20.17 Het door een ploeg gedurende meer dan 30 seconden werkelijk spel balbezit houden, zonder op het doel van de tegenpartij te schieten. De tijdopnemer die de tijdsduur van het balbezit bijhoudt zet de tijd terug:

  • als de bal de hand heeft verlaten van de speler die op doel schiet. Indien de bal terugspringt van de doelpaal, dwarslat of de doelverdediger, begint de tijdsduur van het balbezit niet voordat een van de ploegen weer in balbezit komt;
  • als de tegenpartij in balbezit komt. "Balbezit" betekent niet het door een tegenstander louter in de vlucht aanraken van de bal;
  • als de bal in het spel gebracht is als vervolg op het geven van een uitsluitingsfout, strafworpfout, doelworp, hoekworp of neutrale inworp.

Zichtbare klokken geven op aflopende wijze de tijd aan (de tijd van bal bezit die nog rest).

(KNZB: Zichtbare klokken zijn alleen verplicht in klassen genoemd in E 9. Overigens wordt geadviseerd deze klokken indien mogelijk ook bij andere wedstrijden toe te passen.) [Opmerking: De tijdopnemer en de scheidsrechters moeten vaststellen of het een schot op doel betrof of niet, maar de eindbeslissing berust bij de scheidsrechters.]

20.18 Het verspillen van tijd.

[Opmerking: Het is de scheidsrechter toegestaan een gewone fout onder deze regel toe te kennen, voordat de 30 seconden van balbezit is verstreken.

Als de doelverdediger de enige speler van zijn ploeg is op zijn eigen speelhelft, verspilt hij tijd als hij de bal krijgt aangespeeld door een medespeler van zijn ploeg die zich op de andere helft van het speelveld bevindt.

Tijdens de laatste minuut moeten de scheidsrechters ervan overtuigd zijn dat er bewust tijd verspild wordt, alvorens deze spelregel toe te passen.]

WP 21 Uitsluitingsfouten

21.1 Het is een uitsluitingsfout om een van de navolgende overtredingen te begaan (WP 21.4 t/m WP 21.17). Dit wordt bestraft (behalve als in de spelregels anders is voorzien) met het toekennen van een vrije worp aan de tegenpartij en uitsluiting van de speler die de overtreding beging.

21.2 De uitgesloten speler begeeft zich naar het terugkomvak bij zijn eigen doellijn zonder het water te verlaten. Een uitgesloten speler die het water verlaat (anders dan aansluitend op het in het speelveld komen van een vervanger) maakt zich schuldig aan een overtreding overeenkomstig WP 21.10 (wangedrag).

[Opmerkingen: een uitgesloten speler (met inbegrip van elke speler die volgens de spelregels voor de verdere duur van de wedstrijd is uitgesloten) blijft in het water en begeeft zich (hetgeen ook het zwemmen onder water mag inhouden) naar het terugkomvak bij zijn eigen doellijn zonder zich met het spel te bemoeien. Hij mag vanuit het speelveld naar elk punt op de doellijn zwemmen en mag achter het doel langs naar het terugkomvak zwemmen bij zijn eigen doellijn onder het voorbehoud dat hij daarbij niet de opstelling van het doel verandert.

Bij het bereiken van het terugkomvak, moet de uitgesloten speler zichtbaar boven water komen voordat hij (of een vervanger) toestemming krijgt om weer in het speelveld te komen overeenkomstig de spelregels. Het is echter niet noodzakelijk dat de uitgesloten speler in het terugkomvak blijft wachten tot de beoogde vervanger is gearriveerd].

21.3 Het is de uitgesloten speler of vervanger toegestaan om weer in het speelveld te komen, zodra zich het eerste van de volgende voorvallen voordoet:

  • als er 20 seconden werkelijk spel verstreken is, op welk moment de secretaris de betreffende vlag opsteekt mits de uitgesloten speler overeenkomstig de spelregels zijn terugkomvak heeft bereikt;
  • als er een doelpunt is gemaakt;
  • als de ploeg van de uitgesloten speler gedurende werkelijk spel balbezit herkrijgt (hetgeen betekent controle hebben over de bal), op welk moment de scheidsrechter die de verdedigende situatie beoordeelt het weer in het speelveld mogen komen zal aangeven door met de hand het terugkomteken te geven;
  • als het team van de uitgesloten speler een vrije worp of doelworp wordt toegekend, is het teken bij de toekenning van de worp te beschouwen als het terugkomsignaal, mits de uitgesloten speler het terugkomvak overeenkomstig de regels heeft bereikt.

Het is de uitgesloten speler of vervanger toegestaan om weer in het speelveld te komen vanuit het terugkomvak het dichtst bij zijn eigen doellijn, onder het voorbehoud dat:

  • hij een teken heeft gekregen van de secretaris of een scheidsrechter;
  • hij niet springt van of zich afzet tegen de kant van het zwembad of het speelveld;
  • hij de opstelling van het doel niet verandert;
  • het een vervanger niet is toegestaan in het speelveld te komen in de plaats van een uitgesloten speler totdat deze speler het terugkomvak bij zijn eigen doellijn bereikt heeft.

Nadat een doelpunt is gemaakt mag een uitgesloten speler of een vervanger vanaf elke willekeurige plaats weer in het speelveld komen.

Deze bepalingen zijn ook van toepassing bij het in het speelveld komen van een vervanger wanneer de uitgesloten speler zijn derde persoonlijke fout heeft gekregen of volgens de spelregels op een andere manier voor de verdere duur van de wedstrijd is uitgesloten.

[Opmerkingen: een vervanger krijgt geen terugkomteken van de scheidsrechter, noch een vlagsignaal van de secretaris voor het verstrijken van de 20 seconden uitsluitingsperiode totdat de uitgesloten speler het terugkomvak het dichtst bij zijn eigen doellijn bereikt heeft. Dit is ook van toepassing voor een vervanger die in de plaats komt van een speler die voor de verdere duur van de wedstrijd is uitgesloten. Indien de uitgesloten speler verzuimt om naar zijn terugkomvak te gaan, is het een vervanger niet toegestaan in het speelveld te komen, tenzij er een doelpunt wordt gemaakt of bij het einde van een speelperiode.

De hoofdverantwoordelijke voor het geven van het terugkomteken voor het weer in het speelveld mogen komen van een uitgesloten speler of van een vervanger is de scheidsrechter die de verdedigende situatie beoordeelt. Niettemin mag de scheidsrechter die de aanvalssituatie beoordeelt hierbij ook behulpzaam zijn. Zowel het teken van de ene als de andere scheidsrechter is geldig. Als een scheidsrechter een onjuist in het speelveld komen vermoedt of de grensrechter een teken geeft voor een dergelijk onjuist in het speelveld komen, dan moet hij zich eerst zelf ervan vergewissen of de andere scheidsrechter niet een terugkomteken gegeven heeft.

Voordat hij het terugkomteken geeft voor het weer in het speelveld mogen komen van een uitgesloten speler of een vervanger, moet de scheidsrechter die de verdedigende situatie beoordeelt een moment wachten voor het geval dat de scheidsrechter die de aanvallende situatie beoordeelt fluit om het balbezit terug te geven aan de tegenpartij.

Een wisseling van balbezit ontstaat niet louter vanwege het einde van een speelperiode, maar de uitgesloten speler of vervanger is gerechtigd weer in het speelveld te komen als zijn ploeg de bal verovert bij het uitzwemmen bij het herbegin van de volgende speelperiode. Als een speler wordt uitgesloten op het moment dat het einde van een speelperiode wordt aangegeven, moeten de scheidsrechters en de secretaris zich ervan vergewissen dat de ploegen het juiste aantal spelers hebben, voordat er een teken voor het herbegin wordt gegeven.]

21.4 Het door een speler verlaten van het water, of zitten of staan op de treden of de rand van het zwembad gedurende het spel, uitgezonderd in het geval van ongeval, letsel, ziekte of met toestemming van de scheidsrechter.

21.5 Het (ver)hinderen van de uitvoering van een vrije worp, doelworp of hoekworp, daarbij inbegrepen:

  • het opzettelijk wegwerpen van de bal of het niet loslaten van de bal waardoor de normale voortgang van de wedstrijd wordt verhinderd;
  • elke poging om de bal te spelen, voordat deze de hand van de nemer heeft verlaten.

[Opmerking: Een speler wordt niet bestraft voor deze spelregel als hij het fluitsignaal niet kan horen omdat hij zich onder water bevindt. De scheidsrechters moeten vaststellen of de speler al dan niet met opzet handelde. Het hinderen bij het nemen van een worp is ook indirect mogelijk als voor de speler die de vrije worp gaat nemen het bereiken van de bal wordt bemoeilijkt, vertraagd of belemmerd, of doet zich voor als het uitvoeren van de worp wordt belet door het versperren van de werprichting door een tegenstander (fig. 13) of de eigenlijke beweging bij het nemen wordt verstoord (fig. 14). Voor het hinderen bij een strafworp, zie ook WP 21.16.]

waterpolo
FIG.13
waterpolo
FIG.14

 

 

 

 

 

 

 

21.6 Een poging doen om buiten het 5-meter gebied een schot met twee handen/armen te blokken of te spelen.

[Opmerking; De verdedigende speler die met twee handen/armen een schot probeert te blokken om zo een mogelijk doelpunt te voorkomen, wordt bestraft met een uitsluiting.]

21.7 Het opzettelijk water spatten in het gezicht van een tegenstander.

[Opmerking: Water spatten wordt vaak toegepast als een onsportieve tactiek maar wordt meestal alleen maar bestraft in de duidelijke situatie wanneer de spelers van aangezicht tot aangezicht liggen (zie fig. 15). Het gebeurt echter vaak minder opvallend doordat een speler met zijn arm een watergordijn produceert, daarbij de schijn wekkend alsof dit onopzettelijk gebeurt, in een poging het uitzicht te belemmeren van de tegenstander die op het punt staat op doel te schieten of om de bal te plaatsen.

waterpolo
FIG.15

De straf voor het opzettelijk water spatten in het gezicht van een tegenstander is uitsluiting volgens WP 21.7 of een strafworp volgens WP 22.2 als de tegenstander zich binnen het 5 metergebied bevindt en tracht op doel te schieten. Bij het toekennen van een strafworp of een uitsluiting zijn slechts de positie en de acties van de aanvallende speler maatgevend. Het zich wel of niet binnen het 5 metergebied bevinden van de overtredende speler is geen bepalende factor.]

21.8 Het vasthouden, onderduwen of het naar zich toetrekken van een tegenstander, terwijl deze de bal niet houdt. "Houden" is het optillen, dragen of aanraken van de bal maar betekent niet het opzwemmen (dribbelen) met de bal.

[Opmerking: De correcte toepassing van deze spelregel is uitermate belangrijk zowel voor de presentatie van de wedstrijd als zodanig, als om daarmee een zuiver en eerlijk resultaat te bereiken. De omschrijving van de spelregel is duidelijk en stellig en kan slechts op één manier geïnterpreteerd worden:

Het vasthouden (fig. 16), onderduwen (fig. 17) of naar zich toe trekken (fig. 18) van een tegenstander die de bal niet houdt, is een uitsluitingsfout. Het is essentieel dat de scheidsrechters deze spelregel op een correcte wijze toepassen, en daarbij persoonlijke arbitraire interpretaties vermijden, omdat deze geldt als afbakening voor ruw spel waarbij de duidelijke limieten niet overschreden mogen worden. Aanvullend geldt, dat scheidsrechters er nota van moeten nemen dat het inbreuk maken op WP 21.8 binnen het 5 metergebied, waardoor vermoedelijk een doelpunt wordt voorkomen, bestraft moet worden met het toekennen van een strafworp]

waterpolo
FIG.16
waterpolo
FIG.17
waterpolo
FIG.18

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

21.9 Het opzettelijk trappen of slaan van een tegenstander of dreigende bewegingen maken welke deze bedoeling verraden.

[Opmerkingen: De overtreding trappen of slaan kan zich in een aantal verschillende vormen voordoen, waarbij inbegrepen het begaan hiervan door een speler waarvan de ploeg in balbezit is of een tegenstander. Balbezit hebben is niet de bepalende factor. Wat belangrijk is, is de actie van de foutieve speler daarbij inbegrepen het feit of hij de dreigende bewegingen maakt met de bedoeling om te trappen of te slaan ook al slaagt hij er niet in de tegenstander te raken.

Een van de meest ernstige vormen van slaan is een achterwaartse elleboogstoot (fig. 19), die ernstig letsel voor de tegenstander tot gevolg kan hebben. Eenzelfde ernstig letsel kan ontstaan als een speler opzettelijk met zijn hoofd achteruit slaat in het aangezicht van een tegenstander die vlak achter hem ligt. In dit soort omstandigheden, zal de scheidsrechter de overtreding op een rechtvaardiger manier bestraffen door toepassing van WP 21.11 (grof optreden) dan door toepassing van WP 21.9]

waterpolo
FIG.19

21.10 Het zich aan wangedrag schuldig maken, daarbij inbegrepen het gebruik van onacceptabele taal, gewelddadig of aanhoudend foutief spel, het weigeren gehoor te geven aan of tonen van gebrek aan eerbied voor de scheidsrechter of official, onoorbaar gedrag tegenover de waterpolospelregels of aanzetten tot het in diskrediet brengen van het waterpolospel. De overtreder wordt voor de verdere duur van de wedstrijd uitgesloten, met vervanging zodra zich een van de voorvallen voordoet waarnaar in WP 21.3 verwezen wordt.

[Opmerking: Wanneer een lid van de ploeg zo’n fout begaat zoals bedoeld in deze regel gedurende de rustperioden, tijdens de time-out, of nadat zijn ploeg een doelpunt heeft gemaakt, wordt de betreffende speler uitgesloten en mag vervanging plaatsvinden na de onderbreking en nadat de ploeg balbezit heeft veroverd (dit betekent controle over de bal heeft), of in andere situaties waar in WP 21.3 wordt verwezen.]

21.11 Het zich schuldig maken aan grof optreden (inbegrepen opzettelijk trappen of slaan met de bedoeling letsel toe te brengen dan wel een poging daartoe) jegens een tegenstander of official (functionaris), al dan niet tijdens het spel (inclusief enige onderbreking of time-outs) of in de pauze tussen de speelperioden. De overtreder wordt voor de verdere duur van de wedstrijd uitgesloten en een strafworp zal worden toegekend aan de tegenstander. De betreffende speler mag worden vervangen na vier (4) minuten werkelijke speeltijd.

[Opmerking: Deze bepalingen geldt echter ook gedurende de rustperiodes wanneer iemand zich schuldig maakt aan grof optreden en er een strafworp zal worden toegekend. Deze bepalingen zullen echter niet worden toegepast, voor het spel eigenlijk begonnen is.

In het geval van grof optreden, op welk moment dan ook, door een vervanger, die zich gedurende het spel niet in het water bevindt wordt de overtreder voor de verdere duur van de wedstrijd uitgesloten. De aanvoerder van de ploeg wordt opgedragen naar zijn keuze een van de spelers uit het water te halen en de ploeg zet de wedstrijd met één speler minder voort. De speler die uit het water is gehaald, kan overigens gedurende de rest van de wedstrijd gebruikt worden als vervanger van één van de overblijvende spelers van zijn ploeg in het water en er wordt geen persoonlijke fout voor hem genoteerd, vanwege het feit dat hij uit het water werd gehaald.]

21.12 Het door een speler van de ploeg die niet in balbezit is, begaan van een van de onderstaande overtredingen voordat er een vrije worp, hoekworp, doelworp, neutrale inworp of strafworp is genomen, of het door een speler van welke ploeg dan ook, begaan van een van de onderstaande overtredingen voordat er een neutrale inworp is genomen:

  • WP 20.9 - een tegenstander hinderen
  • WP 20.10 - wegduwen of zich afzetten van een tegenstander
  • WP 21.4 t/m 21.11 - begaan van een uitsluitingsfout

De oorspronkelijk te nemen worp (inclusief een neutrale inworp) blijft van kracht. De speler wordt uitgesloten voor de verdere duur van de wedstrijd waar de spelregels dit bepalen.

21.13 Het door spelers van beide ploegen gelijktijdig begaan van een van onderstaande overtredingen voordat er een vrije worp, doelworp, hoekworp, strafworp of neutrale inworp is genomen:

  • WP 20.9 - een tegenstander hinderen
  • WP 20.10 - wegduwen of zich afzetten van een tegenstander
  • WP 21.4 t/m 21.11 - begaan van een uitsluitingsfout

Beide spelers worden uitgesloten en de ploeg welke in balbezit was, behoudt het balbezit. De spelers worden uitgesloten voor de verdere duur van de wedstrijd waar de spelregels dit bepalen.

[Opmerkingen: Beide uitgesloten spelers is het ingevolge deze spelregel toegestaan terug te keren in het speelveld bij de eerstkomende gelegenheid waarnaar in WP 21.3 wordt verwezen of bij de volgende wisseling van balbezit.

Indien de twee spelers die ingevolge deze spelregel uitgesloten werden weer mogen terugkomen, voordat zij hun respectievelijke terugkomvakken bereikt hebben, dan mag de scheidsrechter die de verdedigende situatie beoordeelt iedere speler, die klaar ligt om weer in het speelveld te komen, afzonderlijk het teken hiertoe geven. De scheidsrechter hoeft niet te wachten totdat allebei de spelers gereed zijn om terug te keren.

Bij gelijktijdige uitsluiting zal de ploeg welke in balbezit was het spel hervatten met het nemen van de vrije worp, doelworp, hoekworp of strafworp. Bij een neutrale inworp zal de scheidsrechter het spel hervatten volgens WP 18.]

21.14 Het door een speler van de ploeg die in balbezit is, begaan van een overtreding volgens WP 21.4 tot en met WP 21.11 (uitsluitingsfouten) voordat er een vrije worp, doelworp, hoekworp, of strafworp is uitgevoerd; met dien verstande dat:

  • de speler wordt uitgesloten voor de verdere duur van de wedstrijd waar de spelregels dit voorschrijven;
  • als de overtreding wordt begaan bij het nemen van een strafworp, de strafworp gehandhaafd blijft.

21.15 Het op onjuiste wijze in het speelveld terugkomen door een uitgesloten speler of het op onjuiste wijze terugkomen door een vervanger, daarbij inbegrepen:

  • zonder een teken te hebben gekregen van de secretaris of een scheidsrechter;
  • vanaf elke andere plaats dan zijn eigen terugkomvak, behalve waar de spelregels onmiddellijke vervanging toestaan;
  • door te springen of zich af te zetten van de kant of wand van het bad of van het speelveld;
  • door de opstelling van het doel te beïnvloeden.

Indien deze overtreding wordt begaan door een speler van de ploeg welke niet in balbezit is wordt de betreffende speler uitgesloten en een strafworp wordt toegekend aan de tegenpartij.

Indien deze overtreding wordt begaan door een speler van de ploeg welke wel in balbezit is wordt de betreffende speler uitgesloten en volgt er een vrije worp voor de tegenpartij.

21.16 Het storen bij het nemen van een strafworp. De overtredende speler wordt voor de verdere duur van de wedstrijd uitgesloten met vervanging, zodra een van de voorvallen zich voordoet waarnaar in WP 21.3 verwezen wordt en de strafworp wordt gehandhaafd of overgenomen als dat nodig is.

[Opmerking: De meest gebruikelijke manier van storen bij het nemen van een strafworp vindt plaats doordat de tegenstander de nemer een trap geeft, net op het moment dat de worp wordt genomen. Het is voor de scheidsrechters essentieel om zich ervan te verzekeren dat alle spelers op minstens twee meter afstand van de nemer liggen, om daarmee te voorkomen dat een dergelijk storen kan optreden. De scheidsrechter staat dan ook toe dat de verdedigende ploeg het eerst de gelegenheid krijgt om positie te kiezen.]

21.17 Het door de verdedigende doelverdediger weigeren de juiste plaats op de doellijn in te nemen bij het nemen van een strafworp, na één maal door de scheidsrechter verzocht te zijn dit te doen. Een andere speler van de verdedigende ploeg mag de plaats van de doelverdediger innemen doch zonder diens voorrechten en beperkingen.

21.18 Als een speler wordt uitgesloten begint de uitsluitingsperiode direct nadat de bal de hand van de speler die de vrije worp neemt heeft verlaten of bij een neutrale inworp zodra de bal wordt aangeraakt.

21.19 Als een uitgesloten speler zich opzettelijk bemoeit met het spel, daarbij inbegrepen het veranderen van de opstelling van het doel, wordt een strafworp toegekend aan de tegenpartij en een aanvullende persoonlijke fout genoteerd tegen de uitgesloten speler. Als een uitgesloten speler geen aanstalten maakt om het speelveld nagenoeg onmiddellijk te verlaten, kan de scheidsrechter dit beoordelen als opzettelijk bemoeien met het spel volgens deze spelregel.

21.20 In het geval dat een wedstrijd wordt voortgezet met een verlenging, wordt de uitsluitingsperiode van een uitgesloten speler meegenomen naar de verlenging. Toegekende persoonlijke fouten gedurende de normale speelperioden worden ook meegenomen naar de verlenging en een speler die voor de verdere duur van de wedstrijd is uitgesloten wordt het niet toegestaan om in enige speelperiode van de verlenging mee te spelen.

WP 22 Strafworpfouten

22.1 Het is een strafworpfout om een van de navolgende overtredingen te begaan (WP 22.2 t/m WP 22.7). Deze worden bestraft met het toekennen van een strafworp aan de tegenpartij.

22.2 Het door een verdedigende speler begaan van een fout binnen het 5 metergebied waardoor vermoedelijk een doelpunt wordt voorkomen.

[Opmerkingen: In aanvulling op de andere overtredingen waarbij een vermoedelijk doelpunt wordt voorkomen, is een overtreding volgens deze spelregel]

  • het door een doelverdediger of andere verdedigende speler naar beneden halen of het op een andere manier verplaatsen van het doel (fig. 20);
  • het door een verdedigende speler bewust spelen of pogen de bal te spelen, of een schot met twee handen/armen te blokkeren (fig. 21);
  • het door een verdedigende speler bewust blokkeren of pogen te blokkeren van een worp met twee handen/armen;
  • het door een verdedigende speler spelen van de bal met gebalde vuist (fig. 22);
  • het door een doelverdediger of een andere verdedigende speler onder water duwen van de bal als men wordt aangevallen.

Het is belangrijk om er nota van te nemen dat, terwijl de fouten als hierboven beschreven en andere fouten zoals vasthouden, terugtrekken, hinderen enz. onder normale omstandigheden bestraft zouden worden met een vrije worp (en met uitsluiting indien van toepassing), dit strafworpfouten worden zodra deze door een verdedigende speler binnen het 5-metergebied worden begaan, als anders vermoedelijk een doelpunt gemaakt zou zijn.

waterpolo
FIG.20
waterpolo
FIG.21
waterpolo
FIG.22

22.3 Een verdedigende speler, die binnen het 5 metergebied een tegenstander trapt of slaat of een als grof optreden te kwalificeren handeling begaat. In het geval van grof optreden, wordt de overtreder tevens uitgesloten voor de verdere duur van de wedstrijd en een vervanger mag na het verstrijken van vier minuten werkelijk spel weer terugkomen, aanvullend met het toekennen van een strafworp.

22.4 Het door een uitgesloten speler opzettelijk bemoeien met het spel, daarbij inbegrepen het veranderen van de opstelling van het doel.

22.5 Het door een doelverdediger of andere verdedigende speler helemaal naar beneden halen van het doel met het oogmerk een vermoedelijk doelpunt te voorkomen. De overtreder wordt tevens voor de verdere duur van de wedstrijd uitgesloten, met vervanging zodra zich een van de voorvallen voordoet waarnaar in WP 21.3 verwezen wordt.

22.6 Het door een speler of vervanger die krachtens de spelregels op dat moment geen recht tot deelnemen heeft, in het speelveld komen. De overtreder wordt tevens voor de verdere duur van de wedstrijd uitgesloten met vervanging. De vervanger mag het speelveld inkomen na de eerstvolgende gebeurtenis waarnaar verwezen wordt in WP 21.3.

22.7 Het door de coach van de ploeg, die niet in balbezit is, aanvragen van een time-out; of een teamofficial die door een ongeoorloofde actie hiermee een mogelijk doelpunt probeert te voorkomen, met dien verstande dat er geen persoonlijke fout wordt genoteerd voor deze overtreding.

22.8 Wanneer tijdens de laatste minuut van de wedstrijd een strafworp wordt toegekend mag de coach van de ploeg die de strafworp moet nemen er voor kiezen verder te spelen middels een vrije worp. De tijdwaarnemer zal in dit geval de 30-secondenklok weer terug moeten zetten.

[Opmerking: Het is overeenkomstig deze regel de verantwoordelijkheid van de coach om onmiddellijk duidelijk kenbaar te maken of het team het balbezit wil behouden.]

WP 23 Strafworpen

23.1 Een strafworp wordt genomen door een willekeurige speler van de ploeg aan wie de strafworp is toegekend, met uitzondering van de doelverdediger, vanaf een willekeurig punt van de 5 meterlijn van de tegenpartij.

23.2 Alle spelers verlaten het vijf metergebied en bevinden zich op tenminste twee meter afstand van de speler die de strafworp neemt. Aan iedere kant van de speler die de strafworp neemt, zal het eerst een speler van de verdedigende ploeg de gelegenheid krijgen positie te kiezen. De verdedigende doelverdediger stelt zich op tussen de doelpalen met geen enkel lichaamsdeel dat zich boven water bevindt over de doellijn. Zou de doelverdediger uit het water zijn, dan mag een andere speler van zijn ploeg de plaats van de doelverdediger innemen maar zonder diens voorrechten en beperkingen.

23.3 Als de scheidsrechter, die de strafworp laat nemen, zich ervan heeft overtuigd dat de spelers zich op een correcte plaats bevinden, geeft hij met een fluitsignaal en het gelijktijdig omlaag bewegen van zijn arm van een verticale naar een horizontale stand aan, dat de worp genomen kan worden.

[Opmerking: Het gelijktijdig naar beneden bewegen van de arm met het geven van het fluitsignaal maakt het onder alle omstandigheden mogelijk, zelfs te midden van het lawaai van de toeschouwers om de worp uit te voeren overeenkomstig de spelregels. Wanneer de arm wordt geheven zal de speler die de worp neemt zich concentreren, omdat hij weet dat het fluitsignaal onmiddellijk daarop zal volgen.]

23.4 De speler die de strafworp gaat nemen moet in balbezit zijn en gooit ogenblikkelijk in een ononderbroken beweging rechtstreeks naar het doel. De speler kan het nemen van de worp beginnen met het uit het water tillen van de bal (fig. 23) of door de bal in de geheven hand te houden (fig.24). De bal mag naar achteren bewogen worden als voorbereiding op een voorwaartse worp echter onder de voorwaarde dat de doorgaande beweging niet onderbroken mag worden alvorens de bal de hand van de nemer verlaat.

[Opmerking : Er staat niets in de spelregels dat de speler belet om de strafworp met zijn rug naar het doel te nemen en zich daarbij te bedienen van een halve of hele draai.]

waterpolo
FIG.23
waterpolo
FIG.24

23.5 Als de bal van de doelpalen, dwarslat of de doelverdediger terugspringt, blijft hij in het spel en is het niet nodig dat een andere speler de bal nog speelt of aanraakt voordat er een doelpunt kan worden gemaakt.

23.6 Als precies op hetzelfde moment dat de scheidsrechter een strafworp toekent de tijdopnemer fluit voor einde van de speelperiode, dan moeten alle spelers behalve de speler die de strafworp neemt en de verdedigende doelverdediger het water verlaten voordat de strafworp genomen wordt. In dit geval is het spel onmiddellijk beëindigd indien de bal terugstuit van de doelpalen, doellat of de doelverdediger.

WP 24 Persoonlijke fouten

24.1 Er wordt een persoonlijke fout genoteerd tegen een speler, die een uitsluitings of strafworpfout begaat. De scheidsrechter geeft het mutsnummer van de overtreder door aan de secretaris.

24.2 Bij het ontvangen van een derde persoonlijke fout, wordt de speler voor de verdere duur van de wedstrijd uitgesloten met vervanging zodra zich een van de voorvallen voordoet waarnaar in WP 21.3 verwezen wordt. Als de derde persoonlijke fout een strafworp is, moet de vervanger voor de uitgesloten speler onmiddellijk in het speelveld komen.

WP 25 Ongeval, letsel of ziekte

25.1 Het is een speler gedurende het spel slechts toegestaan het water te verlaten of te zitten of staan op de treden of de zijkanten van het zwembad in het geval van een ongeval, letsel of ziekte of met toestemming van de scheidsrechter. Een speler die legitiem het water heeft verlaten, mag bij een onderbreking van het spel, met toestemming van een scheidsrechter, terugkeren via het terugkomvak het dichtst bij zijn eigen doellijn.

25.2 In het geval dat een speler tijdens de wedstrijd een bloedende wond oploopt, gelast de scheidsrechter onmiddellijk de speler het water te verlaten, met directe vervanging door een invaller en de wedstrijd zal zonder onderbreking worden voortgezet. Zodra het bloeden bij de gewonde speler geheel gestelpt is, is hij weer gerechtigd om als vervanger aan de wedstrijd deel te nemen.

25.3 In het geval van ongeval, letsel of ziekte kan de scheidsrechter, naar zijn goeddunken, het spel gedurende maximaal drie minuten onderbreken. In dat geval deelt hij de tijdopnemer mee wanneer de onderbrekingsperiode ingaat.

25.4 Mocht het spel stilgelegd worden vanwege een ongeluk, ziekte, een bloedende wond of een andere onvoorziene reden, dan brengt de ploeg, die op het moment van de onderbreking in balbezit was, de bal in het spel op de plaats waar de bal zich bevond voor de onderbreking.

25.5 Behalve onder de omstandigheden als omschreven in WP 25.2 (bloeden) zal het de speler niet zijn toegestaan verder aan het spel deel te nemen als een vervanger in het veld is gekomen.

BIJLAGE A: INSTRUCTIES BIJ "LEIDING DOOR TWEE SCHEIDSRECHTERS"

  • De scheidsrechters hebben de algehele leiding van de wedstrijd en hebben gelijke bevoegdheden om voor fouten te fluiten en om strafworpen toe te kennen. Verschil van mening tussen de scheidsrechters is nimmer grond voor een protest of beroep.
  • De instantie die de scheidsrechters aanstelt heeft de bevoegdheid om de zijde van het zwembad te bepalen waaraan elk van de scheidsrechters zal fungeren. Scheidsrechters wisselen voor het begin van elke speelperiode van zwembadzijde, wanneer de ploegen niet van speelhelft wisselen.
  • Bij het begin van de wedstrijd en van elke speelperiode wordt het beginsignaal gegeven door de scheidsrechter die aan de zijde van de jurytafel fungeert.
  • Na een doelpunt wordt het beginsignaal gegeven door de scheidsrechter die de leiding had bij de aanvallende situatie toen het doelpunt werd gemaakt. Voor het herbegin vergewissen de scheidsrechters zich ervan dat eventuele vervangingen doorgevoerd zijn
  • Elke scheidsrechter heeft de bevoegdheid om voor fouten te fluiten op elk gedeelte van het speelveld maar elke scheidsrechter zal zijn primaire aandacht richten op de offensieve situatie bij aanvallen op het doel aan zijn rechterhand. De scheidsrechter die niet de aanvallende situatie beoordeelt (de verdedigende scheidsrechter) kiest een positie die zich niet dichter bij het doel bevindt waarop de aanval wordt uitgevoerd, dan de speler van de aanvallende ploeg die het verst terugligt.
  • Bij het toekennen van een vrije worp, doelworp of hoekworp, fluit de scheidsrechter die de beslissing neemt en beide scheidsrechters wijzen de richting aan waarheen de ploeg speelt die de vrije worp mag nemen. Hiermee zien de spelers die zich in de verschillende delen van het zwembad ophouden snel aan welke ploeg de worp is toegekend. De scheidsrechter die de beslissing neemt wijst naar de plaats waar de worp genomen gaat worden. De scheidsrechters maken gebruik van de tekens weergegeven in bijlage B, om de overtreding aan te geven waar zij voor fluiten.
  • Het teken voor het nemen van een strafworp wordt gegeven door de aanvallende scheidsrechter, met dien verstande dat de speler die de worp met zijn linkerhand wil nemen aan de verdedigende scheidsrechter mag vragen om het teken te geven.
  • Als tegelijkertijd door de beide scheidsrechters voor gewone fouten wordt gefloten voor dezelfde ploeg wordt de worp toegekend aan de speler bij de aanvallende scheidsrechter.
  • Als tegelijkertijd voor gewone fouten wordt gefloten maar voor verschillende ploegen wordt een neutrale inworp gegeven, te nemen door de aanvallende scheidsrechter.
  • Als de ene scheidsrechter fluit voor een uitsluitingsfout en op hetzelfde moment de andere scheidsrechter fluit voor een strafworpfout maar ieder voor verschillende ploegen worden de beide overtredende spelers uitgesloten en een neutrale inworp genomen.
  • Als tegelijkertijd door de beide scheidsrechters wordt gefloten, de ene voor een gewone fout en de ander voor een uitsluitings of strafworpfout, zal de uitsluitings of strafworpfout worden toegekend.
  • Wanneer spelers van beide ploegen tegelijkertijd een uitsluitingfout begaan, tijdens de werkelijke speeltijd of tijdens doodspel, worden de betreffende spelers uitgesloten en de ploeg welke in balbezit is krijgt een vrije worp.
  • Wanneer tegelijkertijd aan beide ploegen een strafworp wordt toegekend, wordt de eerste strafworp genomen door de ploeg welke in balbezit was. Nadat de tweede strafworp is genomen wordt het spel hervat met een neutrale inworp op de middenlijn.

<<b>BIJLAGE B: TEKENS TE GEBRUIKEN DOOR DE OFFICIALS

waterpolo

waterpolo Fig. A De scheidsrechter beweegt zijn arm omlaag vanuit een verticale positie:
  • teken voor het begin van een speelperiode.
  • teken voor het herbegin na een doelpunt
  • teken voor het nemen van een strafworp
waterpolo Fig. B Door met een arm te wijzen in de richting van de aanval en met de andere arm het punt aan te wijzen van waar de bal in het spel gebracht moet worden, bij een vrije worp, hoekworp of doelworp.
waterpolo Fig. C Teken voor een neutrale inworp. De scheidsrechter wijst met zijn handen met beide duimen naar boven gericht de plaats aan waar de neutrale inworp is toegekend en vraagt om de bal.
waterpolo Fig. D Teken om de uitsluiting van een speler aan te geven, door naar de speler te wijzen en vervolgens de arm te bewegen in de richting van de speelveldbegrenzing, onmiddellijk gevolgd door het aangeven van het mutsnummer van de uitgesloten speler zodanig dat dit zichtbaar is voor zowel de spelers in het speelveld als voor de jurytafel.
waterpolo Fig. E Teken voor het gelijktijdig uitsluiten van twee spelers. De scheidsrechter zal met beide handen naar de twee spelers wijzen, en aangeven overeenkomstig Figuur D dat ze uitgesloten zijn en vervolgens de mutsnummers aangeven.
waterpolo Fig. F Teken om het uitsluiten van een speler met vervanging aan te geven. De scheidsrechter geeft de uitsluiting aan in overeenstemming met fig. D (of indien van toepassing fig. E). Hij draait zijn handen om de beurt in het rond, duidelijk zichtbaar voor de spelers in het veld en de jurytafel. De scheidsrechter geeft het mutsnummer van de uitgestuurde speler door aan de jurytafel.
waterpolo Fig. G Teken om het uitsluiten van een speler zonder vervanging aan te geven. De scheidsrechter geeft het teken voor de uitsluiting overeenkomstig Figuur D (of Figuur E indien van toepassing) en kruist vervolgens zijn armen op zodanige wijze dat dit zichtbaar is voor zowel de spelers in het speelveld als voor de jurytafel. De scheidsrechter geeft het mutsnummer van de uitgestuurde speler door aan de jurytafel.
waterpolo Fig. H Teken voor het toekennen van een strafworp. De scheidsrechter brengt zijn arm met vijf opgestoken vingers omhoog. Daarna geeft hij de jurytafel het mutsnummer door van de verdedigende speler tegen wie de strafworp is toegekend.
waterpolo Fig. I De scheidsrechter zal een doelpunt aangeven met een fluitsignaal gevolgd door het onmiddellijk wijzen naar het midden van het speelveld.
waterpolo Fig. J Teken om de uitsluitingsfout van het vasthouden van een tegenstander aan te geven. De scheidsrechter maakt een gebaar waarbij hij de pols van de ene hand met de andere hand vasthoudt.
waterpolo Fig. K Teken om de uitsluitingsfout van het onderduwen van een tegenstander aan te geven. De scheidsrechter maakt een neergaande beweging met beide handen beginnend vanuit een horizontale positie.
waterpolo Fig. L Teken om de uitsluitingsfout van het naar zich toe trekken van een tegenstander aan te geven. De scheidsrechter maakt een terugtrekkende beweging waarbij hij beide handen verticaal gestrekt naar zijn lichaam toe beweegt.
waterpolo Fig. M Teken om de uitsluitingsfout van het trappen van een tegenstander aan te geven. De scheidsrechter maakt met één voet een trappende beweging terwijl hij op de andere voet blijft staan.
waterpolo Fig. N Teken om de uitsluitingsfout van het slaan van een tegenstander aan te geven. De scheidsrechter maakt een slaande beweging met de gesloten vuist, beginnend vanuit een horizontale positie.
waterpolo Fig. O Teken om de gewone fout van het wegduwen of zich afzetten van een tegenstander aan te geven. De scheidsrechter maakt met zijn arm een van zijn lichaam afduwende beweging beginnend vanuit een horizontale positie.
waterpolo Fig. P Teken om de gewone fout van het hinderen of zwemmen over een tegenstander aan te geven. De scheidsrechter maakt een kruisend gebaar waarbij de ene hand de andere horizontaal kruist.
waterpolo Fig. Q Teken om de gewone fout van het volledig onder water duwen van de bal aan te geven. De scheidsrechter maakt een neerwaartse beweging met zijn hand, beginnend vanuit een horizontale positie.
waterpolo Fig. R Teken om de gewone fout van het staan op de bodem aan te geven. De scheidsrechter beweegt één voet omhoog en omlaag.
waterpolo Fig. S Teken om de gewone fout van het onnodig tijd verspillen bij het nemen van een vrije worp, doelworp of hoekworp aan te geven. De scheidsrechter beweegt zijn hand op een zichtbare manier een of twee keer op en neer, de handpalm naar boven gericht.
waterpolo Fig. T Teken om een overtreding van de 2 meterregel aan te geven. De scheidsrechter geeft het nummer twee aan, door de wijs en de middelvinger omhoog te steken met de arm verticaal gestrekt.
waterpolo Fig. U Teken om de gewone fout van tijdverspilling of het aflopen van de 30 secondenklok aan te geven. De scheidsrechter maakt met zijn hand twee of drie keer een cirkel gebaar.
waterpolo Fig. V Teken van een grensrechter bij het begin van een spelperiode d.m.v. het heffen van één arm in verticale positie.
waterpolo Fig. W Teken van een grensrechter om een onjuiste (her)start of een verkeerd terugkomend uitgesloten speler aan te geven, d.m.v. het heffen van beide armen in verticale positie.
waterpolo Fig. X Het teken van de grensrechter om een doelworp/hoekworp aan te geven, d.m.v. het horizontaal wijzen van de arm in aanvallende richting.
waterpolo Fig. Y Het teken van de grensrechter om een doelpunt aan te geven, d.m.v. het heffen en kruisen van beide armen.
waterpolo Fig. Z Tekens ter aanduiding van het mutsnummer van een speler. Om beter met de spelers en de secretaris te communiceren worden in voorkomende gevallen beide handen gebruikt, wanneer het nummer hoger dan vijf is. Eén hand toont dan vijf vingers en samen met de andere hand wordt het aantal extra vingers getoond, waardoor dan de som van het mutsnummer van de speler wordt gevormd. Voor het nummer tien wordt een gesloten vuist getoond. Indien het nummer hoger is dan tien, dan toont één hand de gesloten vuist en de andere hand het aanvullend aantal vingers om het juiste nummer van de speler vol te maken.
(KNZB: Het wordt als niet ontvankelijk beschouwd om een protest in te dienen tegen het onduidelijk of onjuist aangeven van de tekens en gebaren als opgenomen in bovenstaand artikel.)